Hier proef je smaak, sfeer en historie.
Wie door De Pannenfabriek loopt, ziet meer dan monumentale bakstenen gevels, gietijzeren ramen en imposante fabriekshallen. Dit is een plek waar al eeuwenlang wordt gewerkt, geproduceerd en gebouwd. Lang voordat hier dakpannen werden gemaakt, stond aan de Molenbeek al een watermolen. Vanaf 1900 groeide op deze plek dakpannenfabriek De Valk uit tot een omvangrijk industrieel complex. Generaties mensen uit Echt en omgeving vonden hier hun werk. De fabriek veranderde voortdurend: hallen werden gebouwd en uitgebreid, branden verwoestten delen van het complex en nieuwe productiemethoden deden hun intrede. Na het beëindigen van de productie kreeg het terrein een nieuwe toekomst. De monumentale fabriekshallen en andere karakteristieke gebouwen vormen tegenwoordig het decor van De Pannenfabriek: een plek waar historie, food, ambacht, werken en ontmoeten samenkomen. Wat achterbleef is een omvangrijk industrieel complex dat onlosmakelijk verbonden is geraakt met de geschiedenis van Echt.

In 1900 begonnen de broers J. en W. Meuwissen bij de bestaande graanmolen een kleine dakpannenfabriek: De Valk. De ligging was gunstig. In de directe omgeving was geschikte klei beschikbaar en de fabriek kon zich ontwikkelen op de nog grotendeels open gronden ten westen van het oude centrum van Echt. De klei werd aanvankelijk met paard en wagen aangevoerd en later ook met een trammetje dat in de volksmond bekend stond als het ‘leimtremke’. Van die eerste fabriek ontwikkelde De Valk zich in enkele decennia tot een groot complex van langgerekte productiehallen, ovens, droogruimten en opslagplaatsen.

De ontwikkeling ging snel. In 1903 beschikte de fabriek al over acht ovens, tegenover drie bij de start. Verdere uitbreidingen volgden in 1906 en 1907. Ook het productieproces werd steeds verder gemechaniseerd. In 1909 werd een stoommachine ingezet voor het aandrijven van de persen en in 1911 kwam er een transportsysteem binnen de fabriek. Een belangrijke stap volgde in 1914 met de ingebruikname van ringovens. In tegenstelling tot de oudere ovens, die na het bakken eerst langdurig moesten afkoelen, maakten deze ringovens een vrijwel continu bakproces mogelijk. Daarmee kon de productie aanzienlijk worden opgevoerd.
Tijdens en vooral na de Eerste Wereldoorlog nam de vraag naar bouwmaterialen sterk toe. In de getroffen gebieden in Europa moesten grote aantallen woningen en andere gebouwen worden hersteld of opnieuw worden gebouwd. Ook de vraag naar dakpannen groeide daardoor sterk. De Valk profiteerde van deze ontwikkeling en breidde verder uit. In 1923 werd de onderneming omgevormd tot N.V. Dakpannen- en Kleiwarenfabriek De Valk. Op foto’s uit die periode is al een omvangrijke fabriek te zien. Het complex zag er echter nog duidelijk anders uit dan de fabriekshallen die tegenwoordig bewaard zijn gebleven.

In 1925 werd De Valk getroffen door een grote brand. Volgens berichtgeving uit die tijd ontstond het vuur in de noordelijke vleugel en verspreidde het zich vervolgens naar andere delen van het complex. Een aanzienlijk deel van de fabriek ging verloren. De zuidelijke vleugel, die kort daarvoor was uitgebreid en vernieuwd, bleef voor een belangrijk deel gespaard. De productie moest opnieuw worden opgestart en delen van de fabriek werden herstel en verder uitgebreid. Maar nauwelijks twee jaar later sloeg het noodlot opnieuw toe.
In juni 1927 werd De Valk opnieuw door een grote brand getroffen. Ook deze keer was de schade enorm. Daken verdwenen, muren stortten in en grote delen van de fabriek moesten worden herbouwd. Deze twee branden vormen een belangrijk keerpunt in de bouwgeschiedenis van De Valk. Het bouwhistorisch onderzoek laat zien dat de huidige fabriek niet in één keer in 1900 is gebouwd. Verschillende oudere onderdelen werden behouden, terwijl andere gedeelten na de branden werden vernieuwd, verhoogd of uitgebreid. Juist die opeenvolgende bouwfasen zijn tegenwoordig nog op verschillende plaatsen in het metselwerk en de constructies af te lezen.

Na de branden werd De Valk verder uitgebreid en gemoderniseerd. Grote fabriekshallen met stalen spanten, hoge bakstenen gevels met lange rijen gietijzeren vensters bepaalden steeds sterker het beeld. Historische luchtfoto’s uit 1936 laten zien dat het complex toen al een indrukwekkende omvang had, maar tegelijkertijd nog niet zijn uiteindelijke vorm had bereikt. In de daaropvolgende decennia werden opnieuw hallen toegevoegd en bestaande gebouwen aangepast aan veranderende productiemethoden. De fabriek was daarmee geen statisch gebouw, maar een voortdurend veranderende industriële machine.
Ook na de Tweede Wereldoorlog groeide en moderniseerde De Valk verder. De productie werd steeds verder gemechaniseerd en er kwamen nieuwe machines, transportlijnen en productieprocessen. In de hoogtijdagen werden volgens de overgeleverde bedrijfsgeschiedenis meer dan 18 miljoen dakpannen per jaar geproduceerd en werkten er ongeveer 450 mensen. De Valk behoorde daarmee tot de grote dakpannenfabrieken van Europa. De kleiwarenindustrie drukte een belangrijk stempel op Echt. Voor veel families uit de omgeving was De Valk niet alleen een fabriek, maar ook een werkgever waarmee meerdere generaties verbonden waren.

In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde de markt. Nieuwe fabrieken konden met efficiëntere productiemethoden produceren en de concurrentie nam toe. In 1971 werd bij De Valk de productie van dakpannen beëindigd. De productie van keramische producten werd uitgebreid, maar ook daaraan kwam in 1991 een einde. De laatste verkoopactiviteiten stopten in 1996. Daarmee sloot De Valk na bijna een eeuw definitief haar deuren. Wat achterbleef was een omvangrijk industrieel complex dat onlosmakelijk verbonden was geraakt met de geschiedenis van Echt.
Na het verdwijnen van de oorspronkelijke bedrijvigheid ontstond de vraag hoe dit bijzondere industriële erfgoed een nieuwe toekomst kon krijgen. Belangrijke delen van het complex zijn beschermd als rijksmonument. Tot het rijksmonumentale complex behoren de voormalige directeurswoning, molenaarswoning, opzichterswoning en twee fabriekshallen. Bij de herontwikkeling zijn historische gebouwen gerestaureerd en gecombineerd met nieuwe architectuur. Daarmee begint een nieuw hoofdstuk. Waar vroeger klei werd verwerkt en miljoenen dakpannen de fabriek verlieten, wordt nu gegeten, gedronken, gewerkt en ontmoet. De naam veranderde, maar het industriële karakter bleef zichtbaar.
De Valk leeft voort in De Pannenfabriek.
De geschiedenis van De Valk zit niet alleen in jaartallen. Wie goed kijkt, kan haar nog altijd aflezen aan de gebouwen. Bakstenen gevels, gietijzeren ramen, houten dakbeschot en ranke stalen spanten vertellen over verschillende bouwfasen en over de manier waarop hier ooit werd geproduceerd. Tegelijkertijd staan tussen de historische gebouwen nieuwe toevoegingen die verwijzen naar het industriële verleden. Samen vormen oud en nieuw het huidige De Pannenfabriek.
De Galerij behoort tot de monumentale fabriekshallen van De Valk. De oorsprong van dit deel van het complex gaat terug tot de vroege ontwikkeling van de fabriek. In de hal bevonden zich ooit onder meer een tunneloven en een droogzolder. Het gebouw laat goed zien hoe functioneel de fabrieksarchitectuur was. Grote open ruimten waren nodig voor het productieproces, terwijl de lange gevels met vele vensters voor licht en ventilatie zorgden. Bijzonder zijn de vele gietijzeren raamvensters. 110 exemplaren zijn tijdens de restauratie behouden en hersteld. Ook de industriële spanten en het houten dakbeschot herinneren aan de oorspronkelijke fabriek. Aan de gevel is bovendien een van de meest herkenbare verwijzingen naar De Valk te vinden: het timpaan met de valk. Het beeldmerk verwijst rechtstreeks naar de naam van de fabriek en vormde al vroeg onderdeel van haar identiteit. Bij de herontwikkeling kreeg de hal een eigentijdse toevoeging. De nieuwe kopgevel, circa 9,5 meter hoog, is volledig in glas uitgevoerd. Hierdoor valt veel daglicht naar binnen en blijft tegelijkertijd de impossante van de oorspronkelijke fabriekshal goed beleefbaar.

Ook Loods 14 maakt deel uit van de monumentale fabriekshallen. De gigantische hal werd vroeger gebruikt als kleikelder en was daarmee rechtstreeks verbonden met de grondstof waar alles bij De Valk om draaide: klei. Het industriële karakter is nog duidelijk zichtbaar. De lange bakstenen gevels worden onderbroken door tientallen vensters. Tijdens de restauratie zijn 80 vensters hersteld. Binnen vallen vooral de zogenaamde stalen Polonceau-spanten op; een ontwerp uit de 19de eeuw van de Franse ingenieur Polonceau. Dit type lichte dakconstructie maakte het mogelijk om grote ruimten te overspannen zonder een woud aan zware ondersteuningen. Samen met het houten dakbeschot bepalen de spanten nog altijd de bijzondere ruimtelijke ervaring van de hal. Bij de nieuwe invulling is een verdiepingsvloer toegevoegd, waarbij oude kolommen uit de fabriekshallen zijn hergebruikt. Op de verdieping is Brouwerij De Valk gevestigd. Zo heeft een gebouw dat ooit onderdeel was van het productieproces opnieuw een ambachtelijke functie gekregen.

Het Kopgebouw maakte oorspronkelijk deel uit van een veel grotere fabriekshal. Bij de herontwikkeling kon deze hal niet volledig behouden blijven. Het grootste deel werd gesloopt, terwijl het Kopgebouw behouden bleef als onderdeel van het monumentale fabrieksensemble. Daardoor heeft het gebouw tegenwoordig een bijzondere positie. Het is niet alleen een zelfstandig gebouw, maar herinnert ook aan het grotere fabrieksvolume dat hier ooit stond. Juist dat maakt het Kopgebouw belangrijk voor het lezen van het terrein: de huidige bebouwing vertelt slechts een deel van het verhaal. Sommige fabriekshallen zijn behouden, andere zijn aangepast of verdwenen.

De Molenaarswoning aan de Diepstraat dateert uit 1844 en is daarmee ouder dan dakpannenfabriek De Valk zelf. Het gebouw behoort tot de geschiedenis van de watermolen die hier stond voordat de fabriek werd opgericht. De molen werd gebruikt als koren- en oliemolen en maakte gebruik van het water van de Molenbeek, gegraven in de 15e eeuw. Toen vanaf 1900 de dakpannenfabriek ontstond, werd de oude molen onderdeel van een totaal ander industrieel landschap. De traditionele molenaandrijving werd later vervangen door een turbine. Tegenwoordig bevinden zich in het pand twee karakteristieke woningen. Daarmee is de Molenaarswoning een tastbare verbinding tussen twee tijdperken: het landschap van watermolens en landbouw van vóór 1900 en de industriële ontwikkeling die daarop volgde.

De Opzichterswoning dateert uit 1877 en stond er dus eveneens al voordat De Valk in 1900 werd opgericht. Later raakte de woning nauw verbonden met de fabriek. Hier woonden de opzichter die een belangrijke rol vervulden in het dagelijkse functioneren van De Valk. Opvallend is hoe lang die oorspronkelijke relatie met de fabriek bleef bestaan: volgens de overgeleverde geschiedenis werd het pand tot 2017 door voornalige opzichters van de pannenfabriek bewoond. Tegenwoordig heeft het gebouw opnieuw een woonfunctie. De woning herinnert eraan dat De Valk niet alleen uit productiehallen bestond. Rondom de fabriek ontstond een compleet industrieel ensemble waarin productie, bestuur en wonen dicht bij elkaar lagen. Links naast de woning lagen nog 2 garages.
De voormalige Directeurswoning dateert uit 1920, hetzelfde jaar waarin De Valk werd opgericht. De woning vormt een duidelijk contrast met de functionele fabriekshallen. Waar de hallen in de eerste plaats voor productie werden ontworpen, had de directeurswoning ook een representatieve functie. De architectuur liet zien welke positie de fabrieksdirectie binnen het bedrijf en de lokale samenleving innam. De voormalige Directeurswoning is beschermd als rijksmonument en maakt deel uit van het beschermde complex van De Valk. Tegenwoordig wordt het pand gebruikt als woning en kantoor. Samen met de fabriekshallen en andere woningen laat het gebouw zien dat De Valk veel meer was dan een verzameling productieruimten: het was een industrieel ensemble met een eigen hiërarchie en verschillende functies.

Het voormalige kantoor dateert eveneens uit de periode rond 1900 en vormde het bestuurlijke hart van dakpannenfabriek De Valk. Dit kantoor is de vervanger van het oorspronkelijk kantoor uit 1920. Terwijl in de hallen klei werd verwerkt, pannen werden gevormd en ovens brandden, vond hier de administratieve en zakelijke organisatie van het bedrijf plaats. Het gebouw heeft zijn kantoorfunctie behouden, maar binnen een totaal andere onderneming. Tegenwoordig is hier het hoofdkantoor van De Pannenfabriek gevestigd. Zo wordt op dezelfde plek waar ooit de organisatie van de dakpannenfabriek werd aangestuurd nu gewerkt aan de verdere ontwikkeling van het historische terrein.

Niet alles wat er historisch uitziet op De Pannenfabriek is oud. De Markthal is een nieuw gebouw, ontworpen als verwijzing naar de vroegere drooghallen van de dakpannenproductie. De open constructie en industriële schaal sluiten aan bij het karakter van de voormalige fabriek, zonder te doen alsof het gebouw zelf historisch is. Waar vroeger de productie centraal stond, biedt de Markthal nu ruimte aan terrassen, evenementen en themamarkten. Daarmee krijgt het idee van de grote open fabriekshal een nieuwe, publieke betekenis.

Ook de huidige Menghal vertegenwoordigt een nieuwe laag in de geschiedenis van het terrein. Op deze locatie stond vroeger een gebouw dat onderdeel uitmaakte van het productiecomplex. Bij de herontwikkeling is hier gekozen voor nieuwbouw: een modern kantoorgebouw dat in schaal en uitstraling aansluiting zoekt bij de industriële omgeving. De nieuwe Menghal heeft een oppervlakte van circa 923 m². Het gebouw laat daarmee zien hoe De Pannenfabriek met haar verleden omgaat: niet door alles letterlijk te reconstrueren, maar door historische gebouwen te behouden waar dat mogelijk is en nieuwe architectuur toe te voegen waar het terrein een nieuwe functie vraagt.

Waar nu de Jumbo Foodmarkt staat, maakte het terrein vroeger deel uit van het uitgestrekte fabriekscomplex van dakpannenfabriek De Valk. Hier werd gewerkt, geproduceerd en opgeslagen als onderdeel van een fabriek die uitgroeide tot een van de grootste dakpannenfabrieken van Europa.
Vandaag heeft deze plek een heel andere bestemming. Met de komst van Jumbo Foodmarkt krijgt ook dit deel van het voormalige fabrieksterrein een nieuw leven en wordt het opnieuw een plek vol bedrijvigheid – nu helemaal in het teken van food en beleving.
De Pannenfabriek is geen fabriek die op één moment is gebouwd. Het complex groeide, brandde, werd herbouwd, uitgebreid, aangepast en gemoderniseerd. Juist daardoor vertellen de gebouwen samen het verhaal van meer dan een eeuw verandering. Wie vandaag door het gebied loopt, ziet die geschiedenis nog overal terug. In oude gevels en dichtgemetselde openingen. In gietijzeren ramen en houten dakbeschot. In stalen Polonceau-spanten die grote hallen overspannen. En in gebouwen waarvan de functie volledig veranderde, terwijl hun industriële karakter behouden bleef. Waar vroeger klei werd aangevoerd, machines draaiden en ovens brandden, wordt nu gewerkt, gewoond, gegeten, gebrouwen en ontmoet.
Een nieuwe bestemming, op een plek met een lange geschiedenis.